Buurt- en wijkindeling van Amsterdam

Geschiedenis van de buurt- en wijkindeling

Amsterdam heeft diverse buurtindelingen gekend. In de 18e eeuw was er de zogenaamde burgerwijkindeling buurtindeling 1829 met 60 buurten. Voor de Volkstellingen werd tot en met 1849 gebruik gemaakt van de huiszittenhuisarmen buurtindeling 1795 wijken. Bij de invoering van het bevolkingsregister in 1850 kwam het tot een geheel nieuwe indeling in 50 buurten (1), waarvan ook de Volkstelling vanaf 1859 gebruik maakte. Die indeling bleef tot 1909 bijna ongewijzigd. Daarna volgden wijzigingen in 1921,1931,1936 en 1941 als gevolg van uitbreiding van de gemeente en groei van de bevolking. Het belang van deze wijkindelingen is geografisch en administratief. Vele overgeleverde gegevens komen tot ons via deze indelingen.

De burgerwijkindeling uit de 18e eeuw

buurtindeling 1829 De indeling volgt de zogenaamde schutterswijken. De schutters waren de lokale burgermilitie. Diverse belastingen (zoals het koffie- en theegeld) rond 1800 maakten gebruik van deze wijkindeling. Op een kaart van 1829 is deze indeling afgebeeld.

De huiszittenhuisarmen wijkindeling

buurtindeling 1795

Het Huiszittenhuis was de gemeentelijke instelling die de armen bedeelde die niet in een instelling waren opgenomen. Bij de organisatie van de bedeling maakte men gebruik van een wijkindeling. De eerste Volkstelling van 1795 volgde deze indeling en de latere tot en met 1849. Op een kaart van 1796 is deze indeling getekend. Aan de Nieuwe Zijde waren 97 wijken, inclusief vier buiten de stadsmuren; aan de Oude Zijde 35.

De indeling van 1850

buurtindeling 1850

In de indeling van 1850 waren 50 buurten voorzien van een letter van A-Z en AA-ZZ. De buurten WW, XX, YY en ZZ lagen buiten de Singelgracht. Ze waren eerst vrij onbevolkt maar na 1860 vond daar een deel van de stedelijke groei plaats die tot wijken als de Dapperbuurt en de Pijp zou leiden.

buurtnummer KK357 Keizersgracht 254

Een oud buurtnummer KK357 aan de Keizersgracht 254

Annexaties van 1896

buurtindeling 1850

In 1896 werd de buurt ONA (Oud-Nieuwer-Amstel) toegevoegd na een aantal gemeentelijke annexaties op 1 mei 1896. Ze werd gevormd uit delen van de gemeente Sloten, Diemen en Nieuwer-Amstel.(2) Het resultaat was de buurtindeling van 1896. In deze gemeenten hadden zich van oudsher immigranten gevestigd die op Amsterdam af kwamen. Het geannexeerde deel van Nieuwer-Amstel was vrij omvangrijk. In het geannexeerde gedeelte van Nieuwer-Amstel woonden 28.481 mensen. De andere twee annexaties brachten iets meer dan 500 mensen binnen.

Nieuwe buurtindeling in 1909

In 1909 werd een nieuwe indeling vastgesteld van 115 buurten, bevattende de nieuwe en oude stad.(3) Deze buurten waren ondergebracht in wijken die met romeinse cijfers genummerd werden, maar ook van een naam voorzien waren.(5) Deze indeling in wijken verschijnt voor het eerst in publicaties met gegevens over 1909. Zij hanteert hiervoor traditionele wijknamen als de Jordaan en de Jodenbuurt, maar ook gebiedsaanduidingen, als Hugo de Groot-Vondelpark. De lettercodes van de buurten werden nu met cijfers uitgebreid. Alle uitbreidingen werden nieuw ingedeeld en van een nieuwe belettering voorzien. De letters van de buiten de schans gelegen buurten WW, XX, YY en ZZ werden opnieuw toegekend aan buurten in Amsterdam-Oost en -Noord. De oude stad bleef vrijwel dezelfde buurtindeling houden.

Annexaties van 1921

In 1921 kwam het tot de annexatie van van Ransdorp, Nieuwendam, Buiksloot (in het noorden), Watergraafsmeer en Sloten geheel en delen van Zaandam, Oost-en Westzaan, Diemen, Nieuwer-Amstel en Ouder-Amstel. Er woonden 35.739 mensen in het genannexeerde gebied. Het aantal buurten werd tot 169 uitgebreid, waarvan 34 op het nieuwe gebied.(4) Het gevolg was dat Amsterdam in Noord, Oost en West over een aantal woongebieden kwam te beschikken die dankzij de nabijheid tot Amsterdam waren gegroeid. Maar ook bevatten deze uitbreidingen uitgestrekte agrarische- en tuinbouwgebieden waar grote stadsuitbreidingen van Amsterdam zouden plaatsvinden.

Verfijning buurtindeling in 1931

In 1931 werd tot een nieuwe buurt- en wijkindeling besloten. Er kwamen 217 buurten die in de vertrouwde letters met cijfers werden weergegeven, opgenomen in een 17-tal wijken. Tussen de buurten en de wijken werd een systeem van buurtcombinaties geïntroduceerd, aangeduid met cijfers en ook met namen die nu nog gebruikt worden, als de Staatsliedenbuurt, de Dapperbuurt en de Indische buurt. In 1931 waren er 50. In 1936 vonden er weer een aantal wijzigingen plaats en kwam men tot 56 buurtcombinaties.

Verfijning buurtindeling in 1941

In 1941 moest het systeem weer uitgebreid worden: de gemeente werd in 264 buurten en 56 buurtcombinaties ingedeeld.(6) De buurten werden beletterd volgens een nieuw systeem. Deze buurtcombinaties werden ook nog - in een gewijzigde vorm - bij de Volkstelling in 1960 gehanteerd.

Naoorlogse buurtindelingen

De belangrijkste naoorlogse wijziging van de gemeentegrenzen was de toevoeging van de Bijlmermeer in 1966. Er waren toen 89 buurtcombinaties, die echter niet volledig doorgenummerd werden, zodat nr. 99 het hoogste nummer werd, maar de Bijlmermeer het met negatieve nummers moest doen -1 tot -8. Zie hiervoor de kaart en de omschrijving van de buurtindeling.

De volgende wijzigingen traden op met de invoering van de stadsdelen in 1986 en de veranderingen hierin in 1995, 2005 en 2010. Ook de buurtgrenzen werden dan weer gewijzigd, dus erg makkelijk is het dan niet om gegevens historisch te vergelijken. Hoe moeilijk dit is moet ik nog eens onderzoeken.

De wijzigingen na de Tweede Wereldoorlog zijn moeilijk te vinden op de site van het Bureau Onderzoek en Statistiek van de gemeente Amsterdam. Wel is er een historisch overzicht daar uit 2006. De huidige administratieve indeling is in een mooie interactieve kaart opgenomen.

Indelingscriteria

De buurtindeling van 1850 werd ingevoerd met het oog op de instelling van het bevolkingsregister en bleef tot 1909 nagenoeg ongewijzigd. De criteria voor de indeling waren geografisch. Een aantal blokken, vaak gescheiden door water, vormden samen een buurt. Daarbij werd de bevolking enigzins evenredig gespreid over de buurten. De veranderingen vanaf 1909 kwamen duidelijk tot stand in reactie op de uitbreiding van de stad en de bevolkingsgroei. Nadien werden buurten gesplitst en kwamen er steeds nieuwe bij. De wijk- en buurtindeling vanaf 1909 hanteerde een duidelijk principe: een strikte scheiding tussen de nieuwgebouwde buurten van na 1860 en de oude stad. Ook al lagen buurten binnen de Singelgracht, zoals in de Plantage, als ze na 1860 gebouwd waren werden ze opgenomen in een wijk met nieuwbouw. De Plantage kwam dus bij de wijk Amstel-Nieuwe Vaart, omvattende het hele nieuwbouwgebied in Oost. Zo werd ook alle nieuwbouw op de Schans in de gemeentelijke wijkindeling gevoegd bij de tegenoverliggende wijken: delen van de Marnixstraat kwamen bij de Spaarndammerbuurt en de Hugo de Grootbuurt, de Weteringschans bij de Pijp etc. Na 1909 werden de nieuwbouwbuurten onderscheiden van de oude door middel van cijfers: buurt EE gelegen in de wijk Jordaan werd in 1909 gesplitst in EEi en EEii, waarbij de laatste de bebouwing op de Marnixstraat omvatte en de eerste het oude deel in de Jordaan binnen de Lijnbaansgracht.

Bronnen

De Gemeentebladen bevatten een overzicht van de grenzen van de buurten, de straten die ertoe behoren en een alfabetische lijst met straatnamen en hun corresponderende buurtletter. In het aangehaalde nummer van 1941 staat een overzicht van de wijzigingen in de buurtbelettering tussen 1896 en 1941.

 

1.Gemeenteblad (1895) Afdeeling 3, no.48.
2.Gemeenteblad (1896) Afdeeling 1, 240 en Gemeentearchief Amsterdam. Archief van het bevolkingsregister. Toegangsnummer 5007, inv. nr. 308. Register van nummering der stad Amsterdam, 1901.
3.Gemeenteblad (1909) Afdeeling 3, no. 244 en 245
4.Statistiek der bevolking van Amsterdam tot 1921, 3-4 en Gemeenteblad (1921) Afdeeling 3, no. 32
5.Gemeenteblad (1931) Afdeling 3, no. 1 en 2.
6.Gemeenteblad (1941) Afdeling 3, no. 13.

Laatst gewijzigd: 02-11-2015